Zieke werknemer na twee jaar ziekte: bouwt hij nog vakantie op?
- Ronald Blaak van de

- 28 mei
- 7 minuten om te lezen

Slapend dienstverband - vakantie - rechtspraak - Hoge Raad
Gepubliceerd op 28 mei 2026 Auteur: Ronald van de Blaak De vraag lijkt technisch, maar is financieel en praktisch relevant: bouwt een werknemer na 104 weken ziekte, tijdens een slapend dienstverband, nog vakantiedagen met loonwaarde op? De rechtspraak is verdeeld. De wettekst en het kabinetsstandpunt wijzen naar nee, maar sinds 2025 zijn er ook rechtbankuitspraken die op basis van Europees recht juist wel verdere opbouw aannemen. Inmiddels ligt de kernvraag officieel als prejudiciële vraag bij de Hoge Raad.
In 3 regels
Volgens artikel 7:634 BW, zoals het kabinet dat uitlegt, bouwt een werknemer vakantie op over periodes waarin recht op loon bestaat; na het einde van de loondoorbetalingsperiode zou de opbouw dus stoppen.
Rechtbank Gelderland oordeelde in 2025 juist dat deze koppeling aan loon in strijd kan zijn met Europees recht; Noord-Nederland, Rotterdam en Limburg kozen daarna in meerdere uitspraken juist de tegenovergestelde lijn.
De Hoge Raad heeft de Rotterdamse prejudiciële vraag inmiddels op de lijst staan; de status is nu “schriftelijke opmerkingen”. De Hoge Raad streeft er in prejudiciële procedures naar om binnen zes maanden te antwoorden, al lukt dat niet altijd.
Voor wie is dit relevant?
Voor werkgevers, HR, payroll, arbodienstverleners, salarisprofessionals en administratieve dienstverleners die slapende dienstverbanden, eindafrekeningen en reserveringen moeten beoordelen. Ook voor kantoren als Blaak is dit relevant, omdat het niet alleen om een arbeidsrechtelijke vraag gaat, maar ook om verlofadministratie, dossieropbouw, eindafrekening en de vraag of u in een vaststellingsovereenkomst of ontbindingsdossier rekening moet houden met een betwiste verlofpost.
In één oogopslag
Het kabinet stelde in oktober 2025 dat de Nederlandse vakantiewetgeving naar zijn oordeel niet in strijd is met Europees recht en zag toen geen aanleiding voor wetswijziging.
Rechtbank Gelderland oordeelde op 12 augustus 2025 in ECLI:NL:RBGEL:2025:7054 juist dat de beperking tot periodes met loon aanspraak in strijd is met Europees recht; de zaak verwijst expliciet naar het Max Planck-arrest en artikel 31 lid 2 van het EU-Handvest.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 19 december 2025 in ECLI:NL:RBNNE:2025:5517 dat bij een slapend dienstverband geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
Rechtbank Rotterdam volgde in februari 2026 die laatste lijn in meerdere zaken, waaronder ECLI:NL:RBROT:2026:1215 en ECLI:NL:RBROT:2026:1852.
Rechtbank Limburg wees op 16 maart 2026 in ECLI:NL:RBLIM:2026:2375 de vordering over vakantiedagen in de slapende periode ook af.
De prejudiciële vraag van Rechtbank Rotterdam staat nu officieel bij de Hoge Raad geregistreerd als zaak 26/00991.
Rechtspraak zelf meldde op 5 maart 2026 dat er sinds juni 2024 al zes soortgelijke arbeidszaken waren beslist en dat die uitspraken deels tegenstrijdig waren.
Wat betekent dit praktisch voor werkgevers en dienstverleners?
1. De wet geeft nu nog geen rustig antwoord
Wie puur naar de nationale wettekst en de reactie van het kabinet kijkt, komt voorlopig uit op de klassieke lijn: vakantieopbouw is gekoppeld aan loon, en na twee jaar ziekte stopt de loondoorbetaling in beginsel. Het kabinet schreef in 2025 expliciet dat de uitspraak van Gelderland toen “vooralsnog op zichzelf” stond en onvoldoende aanknopingspunten bood om te concluderen dat de Nederlandse wet in strijd is met Europees recht. Dat is nog steeds relevante context voor werkgevers: de wet is niet gewijzigd en de regering heeft haar standpunt niet publiekelijk herroepen.
2. Maar de lagere rechtspraak is inmiddels niet meer één lijn
Daarmee is het juridisch niet klaar. In de praktijk is juist het omgekeerde gebeurd van wat veel werkgevers hopen: de kwestie is groter geworden. Een vroege Gelderse zaak uit juni 2024 ging al over uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen in het derde ziektejaar. Daarna volgde in augustus 2025 de duidelijk pro-opbouw uitspraak van Rechtbank Gelderland. Vervolgens kwam eind 2025 en begin 2026 een reeks uitspraken van Noord-Nederland, Rotterdam en Limburg die juist zeggen: geen verdere opbouw tijdens het slapend dienstverband. Dat is precies waarom de Rotterdamse kantonrechter de vraag nu aan de Hoge Raad heeft voorgelegd.
3. Hoe beoordeelt u die verschillen als werkgever of dienstverlener?
Niet door één uitspraak eruit te pikken die u het best uitkomt. De werkbare volgorde is: eerst de huidige wet en officiële kabinetsuitleg, daarna de rechtspraaklijn, en daarbovenop de vraag of de Hoge Raad al duidelijkheid heeft gegeven. Die laatste stap is nu nog niet afgerond. Daarom is het onjuist om vandaag te zeggen: “het is zeker nee”, maar net zo onjuist om te zeggen: “het is al zeker ja”. De juiste kwalificatie is: betwiste rechtsvraag met reëel financieel effect. Dat is ook precies wat uit de Rotterdamse prejudiciële route blijkt.
Voor een dienstverlener betekent dat praktisch: presenteer deze post niet als vaststaand, maar als discussiepost. Houd in uw eindafrekening idealiter twee sporen uit elkaar: de onomstreden vakantieopbouw tot het einde van de 104 weken enerzijds, en de betwiste periode van het slapend dienstverband anderzijds. Daarmee voorkomt u dat een loon- of eindafrekening achteraf onnodig moet worden herbouwd. Dit is een praktische afleiding uit de huidige processtand, geen definitieve juridische uitkomst.
4. Zelfs de uitleg van “slapend dienstverband” loopt niet helemaal gelijk
Dat is een belangrijk maar onderbelicht punt. De Rotterdamse nieuwsuitleg bij de prejudiciële vraag omschrijft een slapend dienstverband als een periode waarin de werknemer geen recht meer heeft op loon én geen re-integratieverplichtingen meer heeft. Maar de Rijksoverheid zegt op haar eigen pagina over compensatie transitievergoeding juist dat tijdens een slapend dienstverband de werkgever nog wel verplichtingen houdt, zoals zorgen voor re-integratie en passend werk aanbieden als dat beschikbaar komt. Voor werkgevers en dienstverleners is dit precies waarom u voorzichtig moet zijn met stellige conclusies op basis van één redenering uit één uitspraak. Zelfs de officiële uitleg eromheen is niet volledig uniform.
5. Wat is nu de verstandigste werkhypothese?
Voor nu zou ik als werkhypothese hanteren: administratief reserveren, juridisch nuanceren, contractueel expliciteren. Met “vakantiedagen met loonwaarde” bedoel ik hier: opgebouwde maar niet opgenomen uren die bij einde dienstverband in geld moeten worden afgerekend. Bij beëindiging van een slapend dienstverband doet u er goed aan expliciet vast te leggen of de periode na 104 weken wel of niet is meegenomen in de eindafrekening, en of partijen dat punt willen afwikkelen of uitdrukkelijk openlaten. Juist nu de Hoge Raad de vraag behandelt, is impliciete afwikkeling onhandig. De Hoge Raad streeft naar een relatief snelle beantwoording van prejudiciële vragen, maar een vaste einddatum is er niet.
Actieplan (stappen 1 t/m 10)
De onderstaande stappen volgen uit de huidige wettelijke uitleg, de gepubliceerde lagere rechtspraak en de lopende prejudiciële procedure.
Splits in elk dossier de vakantieopbouw tot en met de 104e ziekteweek van de periode daarna.
Controleer of er sprake is van een echt slapend dienstverband of van een situatie waarin nog passend werk of herplaatsing speelt.
Leg in uw HR- of payrollnotitie vast dat de periode na 104 weken juridisch betwist is.
Maak bij een beëindigingsovereenkomst expliciet of de betwiste vakantieopbouw wel of niet is afgekocht.
Zet in uw verlof- of salarisadministratie de omstreden uren niet stilzwijgend op nul zonder dossiernotitie.
Gebruik in klantgesprekken geen absolute taal als “dit is al beslist”; dat is nu te hard.
Houd de prejudiciële zaak bij de Hoge Raad actief in de gaten.
Kijk niet alleen naar de uitspraak die u wilt volgen, maar ook naar de lijn in andere rechtbanken.
Beoordeel bij elk dossier of reservering op de balans verstandig is.
Herzie uw modelbrieven en eindafrekeningen zodra de Hoge Raad antwoord geeft.
Checklist (1 minuut)
Deze checklist is bedoeld als snelle risicoscan voor werkgevers en dienstverleners zolang de Hoge Raad nog geen eindantwoord heeft gegeven.
De 104-wekengrens staat per dossier vast.
De vakantieopbouw vóór en ná die grens is apart zichtbaar.
In het dossier staat of sprake is van een slapend dienstverband.
Er is geen automatische aanname gedaan dat de betwiste periode nihil is.
De eindafrekening noemt expliciet of de betwiste vakantie-uren zijn meegenomen.
Er is een interne notitie over het lopende prejudiciële traject.
HR, payroll en directie gebruiken dezelfde werkhypothese.
De risicoreserve is besproken waar dit financieel relevant is.
Bij beëindigingsovereenkomsten is dit punt expliciet benoemd.
Er is een update-moment gepland zodra de Hoge Raad antwoord geeft.
Kader: belangrijkste data, uitspraken en nuance
5 juni 2024 / publicatie 8 juli 2024 - in Gelderland speelde al een zaak over uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen in het derde ziektejaar: ECLI:NL:RBGEL:2024:3780.
12 augustus 2025 - ECLI:NL:RBGEL:2025:7054: Rechtbank Gelderland oordeelt dat de koppeling van vakantieopbouw aan loon in deze context in strijd is met Europees recht.
14 oktober 2025 - het kabinet antwoordt op Kamervragen dat het die lezing niet deelt en geen wetswijziging voorbereidt.
19 december 2025 - ECLI:NL:RBNNE:2025:5517: Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat bij een slapend dienstverband geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
23 en 24 februari 2026 - ECLI:NL:RBROT:2026:1215 en ECLI:NL:RBROT:2026:1852: Rotterdam volgt de lijn van geen opbouw na 104 weken.
16 maart 2026 - ECLI:NL:RBLIM:2026:2375: Limburg wijst de vordering over vakantiedagen in de slapende periode af.
17 maart 2026 - ECLI:NL:RBROT:2026:2603 / 2021: de prejudiciële vraag wordt formeel gesteld; bij de Hoge Raad staat de zaak nu op status “schriftelijke opmerkingen”.
Status per 28 mei 2026 - de Hoge Raad streeft in prejudiciële procedures naar beantwoording binnen ongeveer zes maanden, maar dat is geen harde beslistermijn.
Bronnen
Overheid.nl - Kamervragen en beantwoording over vakantieopbouw tijdens ziekte.
Rechtbank Rotterdam - nieuwsbericht over de prejudiciële vraag en de tegenstrijdige lagere rechtspraak.
Hoge Raad - overzicht prejudiciële vragen, zaak 26/00991.
Hoge Raad - toelichting op prejudiciële procedure en streeftermijn.
Rijksoverheid - verplichtingen bij slapende dienstverbanden.
Rechtbank Gelderland - ECLI:NL:RBGEL:2025:7054.
Rechtbank Noord-Nederland - ECLI:NL:RBNNE:2025:5517.
Rechtbank Rotterdam - ECLI:NL:RBROT:2026:1215 en ECLI:NL:RBROT:2026:1852.
Rechtbank Limburg - ECLI:NL:RBLIM:2026:2375.
Rechtbank Gelderland - ECLI:NL:RBGEL:2024:3780.
Dit artikel is praktische duiding en geen juridisch advies.
CTA Wilt u weten hoe u deze onzekerheid nu het best verwerkt in uw verlofadministratie, eindafrekening of beëindigingsdossier? Laat Blaak Administratie uw dossieropzet en reserveringslijn vooraf toetsen, zodat u niet pas na het arrest van de Hoge Raad hoeft te herstellen.
Bronnenlijst
Overheid.nl / officiële beantwoording Kamervragen over vakantieopbouw tijdens ziekte.
Rechtspraak - nieuwsbericht prejudiciële vraag rechtbank Rotterdam.
Hoge Raad - overzicht prejudiciële vragen.
Hoge Raad - uitleg en doorlooptijd prejudiciële procedure.
Rijksoverheid - verplichtingen werkgever bij slapende dienstverbanden.
Rechtspraak - ECLI:NL:RBGEL:2024:3780
Rechtspraak - ECLI:NL:RBGEL:2025:7054
Rechtspraak - ECLI:NL:RBNNE:2025:5517
Rechtspraak - ECLI:NL:RBROT:2026:1215
Rechtspraak - ECLI:NL:RBROT:2026:1852
Rechtspraak - ECLI:NL:RBLIM:2026:2375
Rechtspraak - ECLI:NL:RBROT:2026:2603 / 2021
P&O - Payroll - Verzuim - Arbeidsrecht - Vakantie - slapen dienstverband - Rechtspraak - Hoge Raad - Werkgever
Status per 28 mei 2026 • prejudiciële vraag loopt




Opmerkingen